De Sinusregel.  
   
Naamgeving in een driehoek.  
   
Afspraak:
Voortaan geven we de hoekpunten van een driehoek de namen A, B, C (hoofdletters)
De hoeken heten α, β en γ (Griekse letters, en bij hoekpunt A hoort hoek α, bij hoekpunt B hoek β, en bij hoekpunt C hoek γ)
De zijden heten a, b en c (kleine letters) waarbij een zijde dezelfde naam heeft als de hoek ertegenover.
't Is allemaal zoals in de figuur hiernaast.

   
Berekeningen.  
   
Als we van een driehoek alle hoeken kennen en n zijde, dan kunnen we in principe de andere zijden berekenen.
Hiernaast zie je een driehoek ABC met hoeken zoals aangegeven en zijde AB = 8.

Als je daarin de hoogtelijn AD tekent, dan kun je in driehoek ABD sos-cas-toa toepassen.
Dat geeft  sin68 = AD/8  ofwel  AD = 8 sin68

Maar die AD kun je nu weer gebruiken voor sos-cas-toa in driehoek ADC. Dat geeft  sin77 = AD/AC  ofwel  AC = AD/sin77
Met de al gevonden AD geeft dat  AC = 8 sin68/sin77  

   
Dit was eigenlijk twee keer "SOS".
Maar als we de hoeken α, β en γ  noemen en de zijden a, b en c, dan kunnen we de berekening hierboven automatiseren:
in driehoek ABD:   sinβ = AD/c  dus  AD = c sinβ
in driehoek ADC:   sinγ = AD/b  dus  b = AD/sinγ = c sinβ/sinγ
 
   
Als je nu "voor de mooiheid"  sinβ naar de andere kant doet, dan staat er het prachtig symmetrische b/sinβ = c/sinγ.

En als je de driehoek draait, dan kun je natuurlijk precies hetzelfde ng een keer doen!!! Dat zou dan geven  C/sinγ = A/sinα
Samengevat vinden we de sinusregel:
 

 
 
Het is de moeite waard deze regel uit je hoofd te leren. Dan hoef je niet elke keer de afleiding hierboven weer te verzinnen.
Natuurlijk kun je deze sinusregel ook gebruiken als je een hoek niet weet, maar wel twee zijden.
   
Voorbeeld 1.

Bereken de hoek met het vraagteken in de driehoek hiernaast.
De sinusregel geeft:  9/sin(85) = 5/sin(?)
Dus:   sin(?) = 5 sin(85)/9 0,5534
Daaruit volgt   ? = sin-1(0,5534)  33,6.

   
De sinus van een stompe hoek.  
   
De sinusregel geldt ook voor driehoeken met een stompe hoek, maar er is een kleine complicatie.....
Zolang je de sinusregel gebruikt om lengtes van zijden uit te rekenen is er geen vuiltje aan de lucht. Maar zodra je probeert een hoek te berekenen krijg je wel eens een fout antwoord. Dat zit hem allemaal in die sin-1-functie.
Neem de driehoek hiernaast.

De sinusregel geeft:  5/sin27 = 8/sin?  dus  sin? = 8 sin27/5  0,726

Dan geldt  ? = sin-1(0,726) 46,6

Maar dat is niet de enige mogelijkheid!
Met een zijde van 8, een zijde van 5 en een hoek van 27 op de plaatsen als hiernaast is er nog een tweede mogelijkheid voor de driehoek!

Kijk maar:
   

   
In de linkerfiguur zie je de voorwaarden:  AB = 8 , de hoek bij B is 27. Vanaf A is een zijde van 5 getekend.
Punt C ligt dus ergens op de cirkel met A als middelpunt en met straal 5. Een deel daarvan is getekend.
Maar nu zie je meteen dat er voor de plaats van punt C twee mogelijkheden zijn:  C1 en C2.
C1 geeft de oplossing die we hierboven al vonden:  een hoek van 46,6.
Maar in de figuur helemaal rechts zie je dat er ng een oplossing is, deze keer met een stompe hoek bij C!!!
Ook in deze driehoek zou gelden  5/sin27 = 8/sin?  . Waarom vinden we die tweede oplossing dan niet?

Hoe kan dat?

Het zit hem allemaal in de onbetrouwbaarheid van de functie sin-1x.  Die geeft als antwoord altijd een scherpe hoek.
Zo komt er uit sin-1(0,726) een hoek van 46,6 .
Dat is geen fout antwoord, want het klopt wel dat  sin(46,6) = 0,726.
Maar dit antwoord is niet volledig! Want ook sin(133,4) = 0,726. En die tweede hoek wordt zomaar verzwegen door sin-1x.
In de figuur hiernaast zie je dat, als die eerste hoek gelijk is aan γ, dat dan de tweede verzwegen hoek gelijk is aan 180-γ. Dat volgt uit het feit dat driehoek AC1C2 gelijkbenig is.

Je reinste discriminatie van de stompe hoeken!!!!!

De enige oplossing voor dit probleem is, dat je zelf zodra je die sin-1x gebruikt even controleert of je wel de goede hoek krijgt of dat je misschien 180-min-die-hoek  moet doen.  
   

Als je sin-1x gebruikt kan het antwoord ook "180-min-het-gevonden-antwoord"  zijn!

   
   
OPGAVEN
   
1. Bereken de grootte van het vraagteken in de driehoeken hieronder. Geef je antwoorden in n decimaal nauwkeurig.
   
 

   
   
2. Bereken de grootte van het vraagteken in de driehoeken hieronder. Geef je antwoorden in n decimaal nauwkeurig.
       
 

       
3. Nee maar! Kleine Karel ziet 's nachts vanuit zijn slaapkamerraam een vliegende schotel! Hij pakt natuurlijk direct zijn geo-driehoek en meet een kijkhoek van 27 ten opzicht van een horizontale lijn.
Dan rent hij naar beneden en meet op een plaats 6 meter lager een kijkhoek van 32 met een horizontale lijn.
Bereken de horizontale afstand van de schotel tot het huis van Kleine Karel.

       
4. Bereken het vraagteken in de figuur hiernaast.

   
 

h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)