| VWO WB, 2026 - II | ||
| Rondom een top. | |||
| Voor x
³ 0 wordt de functie f
gegeven door f(x) = -x3 +
11/2x.
Het punt A(1/2Ö2, 1/2Ö2) is de top van de grafiek van f. De lijn k met vergelijking y = x snijdt de grafiek van f in de oorsprong O en in A. De lijn l is de verticale lijn door A. Het gebied V is de driehoek die wordt ingesloten door k, l en de positieve x-as. Het gebied W ligt rechts van l en wordt ingesloten door l, de grafiek van f en de positieve x-as. In onderstaande figuur zijn beide gebieden grijs weergegeven. |
|||
|
|
|||
| 6p. | 1. | Onderzoek op exacte wijze of V en W gelijke oppervlakte hebben. | |
| Voor p >
0 wordt de functie gp gegeven
door gp(x) = x +
| px
- 1| De grafiek van gp heeft een knik. Voor één waarde van p bevindt deze knik zich in punt A. Zie onderstaande figuur. |
|||
|
|
|||
| Er geldt: in dit geval is de hoek die de knik maakt 90° . | |||
| 4p. | 2. | Bewijs dit. | |
| Perforaties. | |||
| De functie f wordt gegeven door: | |||
|
|
|||
| Voor 0 £ x £ p heeft de grafiek van f twee perforaties. | |||
| 4p. | 3. | Bereken exact de coördinaten van deze twee perforaties. | |
| Thermosflessn. | |||
| Een
thermosfles heeft een dubbele wand. Hierdoor blijft een
vloeistof die in een thermosfles wordt bewaard langere tijd
warm of juist koud. De vloeistoftemperatuur T in een volledig gevulde en afgesloten thermosfles kan worden berekend met de formule: |
![]() |
||
|
T(t) = A + (T0 - A)· e-ct |
|||
| Hierbij geldt: | |||
| - | t is de tijd in uren nadat de thermosfles werd afgesloten. | ||
| - | T(t) is de vloeistoftemperatuur in °C na t uur. | ||
| - | T0 is de vloeistoftemperatuur in °C bij t = 0. | ||
| - | A is de constante omgevingstemperatuur in °C. | ||
| - | c is een constante die afhangt van de kwaliteit van de thermosfles. | ||
| Om 9.00
uur ’s ochtends wordt een volledig met vloeistof gevulde
thermosfles afgesloten en in een ruimte geplaatst. De
vloeistoftemperatuur in de fles is op dat moment 87
°C. De
omgevingstemperatuur in de ruimte is constant. De
vloeistoftemperatuur in de fles is om 11.30 uur 67
°C en om 14.00 uur 53
°C. Met bovenstaande gegevens kan een stelsel vergelijkingen worden opgesteld. Dit stelsel kan vervolgens worden herleid tot een vergelijking met één variabele. |
|||
| 6p. | 4. | Stel deze vergelijking op en bereken vervolgens met behulp van deze vergelijking de temperatuur in °C van de vloeistof om 15.00 uur. Geef je eindantwoord als geheel getal. | |
| Bij een test worden twee thermosflessen van verschillende merken gevuld met een vloeistof met een temperatuur van 95 °C en in een ruimte geplaatst. Na verloop van tijd is de vloeistof in beide thermosflessen afgekoeld tot de constante omgevingstemperatuur van 20 °C. De formule voor de vloeistoftemperatuur in de thermosfles van het merk Isomax is: | |||
|
TI(t) = 20 + 75· e-0,2t |
|||
| De formule voor de vloeistoftemperatuur in de thermosfles van het merk Therm is: | |||
|
TTh(t) = 20 + 75· e-0,15t |
|||
| In de figuur zijn de grafieken van TI en TTh weergegeven. | |||
|
|
|||
| De leverancier beweert dat het maximale temperatuurverschil van de vloeistoffen in beide flessen vrijwel niet merkbaar is. | |||
| 6p. | 5. | Bereken algebraïsch dit maximale temperatuurverschil in °C. Geef je eindantwoord als geheel getal. | |
| Evenwijdige vectoren en zwaartepunt. | |||
|
Gegeven zijn de punten A(5
- p, 2p),
B(2p, p) en C
(5,5) In onderstaande figuur zijn voor drie waarden van p de vectoren CA en CB weergegeven. |
|||
|
|
|||
|
Voor positie 2 zijn CA en CB evenwijdig en
hebben ze een tegengestelde richting Er is een vierde positie, waarvoor de vectoren CA en CB ook evenwijdig zijn. In dat geval hebben de vectoren gelijke richting. |
|||
| 5p. | 6. | Bereken algebraïsch de waarde van p bij deze vierde positie. Geef je eindantwoord in twee decimalen. | |
| In
A en in B bevinden zich puntmassa’s met
massa 2 en in C bevindt zich een puntmassa met massa 1.
Bij elke waarde van p hoort een positie van het zwaartepunt Z van de drie puntmassa’s. Deze zwaartepunten liggen op de lijn l. In onderstaande figuur zijn voor een zekere waarde van p de posities van de puntmassa’s A, B en C en het bijbehorende zwaartepunt Z weergegeven. Ook zijn voor deze waarde van p de plaatsvectoren OA, OB en OC en de lijn l weergegeven. |
|||
|
|
|||
| Er is een waarde van p waarvoor de x-coördinaat van het zwaartepunt gelijk is aan de y-coördinaat van het zwaartepunt. | |||
| 4p. | 7. | Bereken in dat geval exact de coördinaten van het zwaartepunt. | |
| Draaierig. | |||
| Punt P beweegt volgens de bewegingsvergelijkingen: | |||
|
|
|||
| Hierbij is t de tijd in seconden. De baan van P is weergegeven in de volgende figuur. | |||
|
|
|||
| Op zes tijdstippen bevindt P zich op de y-as. | |||
| 4p. | 8. | Bereken exact deze tijdstippen. | |
| Op
de tijdstippen t = 1/2p
en t = p gaat P
door het punt (1, –1). In (1, –1) snijdt de baan zichzelf onder een bepaalde hoek. |
|||
| 5p. | 9. | Bereken op algebraïsche wijze deze hoek in graden. Geef je eindantwoord als geheel getal. | |
| Minimale lengte en grenswaarde. | |||
| De
functie f wordt gegeven door f(x)
= x2 ·
ln(1/2x)
en de functie g door g(x)
= x2 ·
ln(x)
In de figuur zijn de grafieken van f en g weergegeven. |
|||
|
|
|||
|
Punt A(2/Öe,
-2/e) is de top van de
grafiek van f. Punt B is de top van de grafiek van g. Door A en B worden vierkanten getekend waarvan de zijden evenwijdig zijn met de x-as en y-as. In de figuur zijn twee voorbeelden getekend van zo’n vierkant. De lengtes van de zijde van alle mogelijke vierkanten zijn niet even groot. |
|||
| 7p. | 10. | Bereken algebraïsch de lengte van de zijde van het kleinst mogelijke vierkant. Geef je eindantwoord in vier decimalen. | |
| De
functie h is gegeven door: h(x)
= g(x)/f(x)
Voor toenemende waarden van x nadert h(x) tot een grenswaarde. |
|||
| 3p. | 11. | Bereken exact deze grenswaarde. | |
| Een gebroken wortelfunctie. | |||
| De functie f wordt
gegeven door f(x) = 3/Öx
Op de grafiek van f liggen de punten A (1, 3) en B (9,1) . In onderstaande figuur zijn de grafiek van f en het lijnstuk AB weergegeven. |
|||
|
|
|||
| Er is een punt tussen A en B op de grafiek van f waarin de helling van de grafiek van f gelijk is aan de helling van lijnstuk AB. De x-coördinaat van dat punt kan worden geschreven als qÖ p , met p en q gehele getallen. | |||
| 4p. | 12. | Bereken exact een mogelijke waarde van p en van q. | |
| V is het
gebied dat wordt begrensd door de horizontale lijn door A, de
verticale lijn door B en de grafiek van f . In onderstaande figuur is V grijs weergegeven. |
|||
|
|
|||
| Als V wordt gewenteld om de x-as ontstaat een omwentelingslichaam. | |||
| 4p. | 13. | Bereken algebraïsch de inhoud van dit omwentelingslichaam. Geef je eindantwoord als een geheel getal. | |
| Op de grafiek van f worden twee transformaties toegepast (dat kan op verschillende manieren). Het resultaat van deze twee transformaties is de grafiek van de functie g die door de punten A en C gaat, waarbij C de loodrechte projectie van B op de x-as is. In de volgende figuur is deze situatie weergegeven. | |||
|
|
|||
| 3p. | 14. | Geef deze twee transformaties in de juiste volgorde. | |
| Twee cirkels | |||
| Gegeven is een
cirkel c1 met straal r1 en
middelpunt O. Lijn k raakt c1 in een punt A met positieve coördinaten en snijdt de positieve x-as in punt M zo dat ÐAMO = 30° M is het middelpunt van een cirkel c2 met straal r2 waarbij r2 < r1 Lijn l gaat door O en raakt c2 in punt B met positieve y-coördinaat. Zie de figuur. |
|||
|
|
|||
| Lijn l
snijdt c1 in punt C en lijn k snijdt
c2 in punt D. Punt E is de loodrechte projectie van C op de x-as. Punt F is de loodrechte projectie van D op de x-as. De driehoeken OBM en OEC zijn gelijkvormig. Er geldt: CE = DF = 1/2r2. |
|||
| 4p. | 15. | Bewijs dat inderdaad geldt CE = DF = 1/2r2. | |
| Neem in het
vervolg van deze opgave r = 1 en M = (8, 0) .
Omdat CE en DF even lang zijn, is EFDC een rechthoek. Zie de volgende figuur. |
|||
|
|
|||
| De oppervlakte van rechthoek EFDC hangt af van r2. Voor één waarde van r2 is deze oppervlakte maximaal. | |||
| 5p. | 16. | Bereken de maximale oppervlakte van rechthoek EFDC. Geef je eindantwoord in twee decimalen. | |
| UITWERKING | |||||||
| Het officiële (maar soms beknoptere) correctievoorschrift kun je HIER vinden. Vooral handig voor de onderverdeling van de punten. | |||||||
| 1. | V heeft oppervlakte 1/2 · 1/2Ö2 · 1/2Ö2 = 1/4 | ||||||
| -x3
+ 11/2x
= 0 x(-x2 + 11/2) = 0 x = 0 Ú x = ±Ö11/2 dus de rechtergrens van W is bij x = Ö1,5 De oppervlakte van W is: |
|||||||
![]() |
|||||||
| =
(-0,5625 + 1,125) - (-0,0625 + 0,375) = 0,5625 - 0,3125 = 1/4 Die zijn dus gelijk. |
|||||||
| 2. | De
knik bevindt zich bij |
px -
1| = 0
Dat moet zijn bij xA =
1/2Ö2 p · 1/2Ö2 - 1 = 0 p = 1/(0,5Ö2) = Ö2 x < 1/2Ö2 geeft g(x) = x - (px - 1) = x - xÖ2 + 1 en de helling is (1 - Ö2) x > 1/2Ö2 geeft g(x) = x + (px - 1) = x + xÖ2 - 1 en de helling is (1 + Ö2) Als die loodrecht op elkaar staan dan moeten de rc vermenigvuldigd -1 opleveren: (1 - Ö2)(1 + Ö2) = 1 - Ö2 + Ö2 - 2 = -1 Dat klopt, dus het is loodrecht |
||||||
| 3. | Voor
een perforatie moet er nul/nul uitkomen: 2sin(x) - 1 = 0 sin(x) = 1/2 x = 1/6p Ú x = 5/6p x = 1/6p geeft noemer 4sin2x - 1 = 0 x = 5/6p geeft ook noemer 4sin2x - 1 = 0 omschrijven: |
||||||
![]() |
|||||||
| voor x gelijk aan 1/6p en 5/6p komt er 1/2 uit dus de perforaties zijn de punten (1/6p, 1/2) en (5/6p, 1/2) | |||||||
| 4. |
Gegevens invullen: 67 = A + (87 - A)e-2,5c ....(1) 53 = A + (87 - A)e-5c ....(2) 67 = A + (87 - A)e-2,5c 67 = A + 87e-2,5c - Ae-2,5c 67 - 87e-2,5c = A(1 - e-2,5c) |
||||||
![]() |
|||||||
| Dat kun je voor A in vergelijking (2) invullen; | |||||||
|
|
|||||||
|
invoeren in de GR en dan intersect geeft c = 0,14... Dat weer invullen in de vergelijking voor A geeft A = 20,33 invullen in de formule voor T(t) met t = 6 (15:00 uur) geeft een temperatuur van 49°C |
|||||||
| 5. | TTh
- TI moet
maximaal zijn,. dus de afgeleide ervan moet nul zijn. TTh - TI = (20 + 75· e-0,15t ) - (20 + 75· e-0,2t ) De afgeleide is: -0,15 · 75 · e-0,15t - 75 · -0,20 ·e-0,2t = 0 -11,25 · e-0,15t + 15·e-0,2t = 0 e-0,15t (-11,25 + 15e-0,05t) = 0 -11,25 + 15e-0,05t = 0 11,25 = 15e-0,05t e-0,05t = 0,75 -0,05t = ln(0,75) = -0,2876... t = 5,753... Het temperatuurverschil is dan (20 + 75· e-0,15 · 5,753... ) - (20 + 75· e-0,2 · 5,753... ) = 8 °C |
||||||
| 6. |
![]() |
||||||
| die
zijn evenwijdig als de ene een aantal keer de andere is. dat betekent dat de verhouding tussen de x-kentallen hetzelfde is als de verhouding tussen de y-kentallen. dus -p/(2p - 5) = (2p - 5)/(p - 5) (2p - 5)(2p - 5) = -p(p - 5) 4p2 - 10p - 10p + 25 = -p2 + 5p 5p2 - 25p + 25 = 0 p2 - 5p + 5 = 0 p = (5 ± Ö5)/2 voor p = (5 - Ö5)/2 hebben de vectoren gelijke richting dat is p = 1,38 |
|||||||
| 7. |
![]() |
||||||
| 5xZ
= 10 -
2p + 4p + 5 geeft 5xZ = 15 +
2p 5yZ = 4p + 2p + 5 geeft 5yZ = 6p + 5 Dat ligt op y = x als 15 + 2p = 6p + 5 Dan is p = 2,5 De coördinaten zijn dan (4, 4) |
|||||||
| 8. | x
= 0 sin(t) - cos(3t) = 0 sin(t) = cos(3t) sin(t) = sin(1/2p - 3t) t = 1/2p - 3t + k2p Ú t = p - (1/2p - 3t) + k2p 4t = 1/2p + k2p Ú -2t = 1/2p + k2p t = 1/8p + k1/2p Ú t = -1/4p - kp dat geeft t = 1/8p, 5/8p, 9/8p, 13/8p, 3/4p, 7/4p |
||||||
| 9. | x
' = cos(t) + 3sin(3t) y '= -sin(t) + 3cos(3t) x '(1/2p) = 0 - 3 = -3 y '(1/2p) = -1 + 0 = -1 x '(p) = -1 + 0 = -1 y'(p) = 0 - 3 = -3 |
||||||
![]() |
|||||||
| dat geeft een hoek van 53° | |||||||
| 10. | g(x)
= x2 ·
ln(x) g ' (x) = 2xln(x) + x2 · 1/x = 2xln(x) + x g ' = 0 geeft x(2ln(x) + 1) = 0 x= 0 Ú 2ln(x) = -1 x= 0 Ú ln(x) = -1/2 x = 0 Ú x = e-0,5 xB = e-0,5 yB = (e-0,5)2 · ln(e-0,5) = -0,5e-1 = -1/(2e) A = (2/Öe, -2/e) de horizontale afstand tussen de toppen is xA - xB = 2/Öe - 1/Öe = 1/Öe (= 0,6065...) de verticale afstand tussen de toppen is yB - yA = -1/(2e) - - 2/e = 3/(2e) = 0,5518... Het kleinst mogelijke vierkant heeft als zijde de grootste van deze twee, dus dat is 0,6065 |
||||||
| 11. |
![]() |
||||||
| voor de limiet naar oneindig delen we alles door ln(x): | |||||||
![]() |
|||||||
| het
eerste deel van de noemer gaat naar nul. Dus blijft over 1/1 = 1 De grenswaarde is dus 1. |
|||||||
| 12. | De
helling van AB is (1 - 3)/(9 - 1)
= -1/4. f(x) = 3x-0,5 f '(x) = -1,5x-1,5 -1,5x-1,5 = -1/4 x-1,5 = 1/6 x1,5 = 6 x = 62/3 = 3Ö36 |
||||||
| 13. | Het deel onder de grafiek van f omwentelen geeft inhoud: | ||||||
![]() |
|||||||
| de
lijn y = 3 omwentelen geeft inhoud p
· 32
· 8 = 226,194... Het deel tussen beide grafieken omwentelen geeft dan inhoud 226,194... - 9pln9 = 164 |
|||||||
| 14. | De
grafiek van g gaat door (9,0) en (1,3) er zijn meerdere mogelijkheden, maar deze is het handigst: Als je de grafiek van f eerst 1 omlaag schuift dan gaat het beeld alvast door C en dan kun je daarna de afstand tot de x-as wel zo vermenigvuldigen dat de grafiek ook door A gaat (daarbij blijft C op zijn plaats want die ligt op de x-as) Bij 1 omlaag schuiven komt A terecht op punt (1,2) Dus moet je met 1,5 vermenigvuldigen om dat punt weer in (1,3) te krijgen. Dus: translatie 1 omlaag gevolgd door vermenigvuldiging t.o.v de x-as met factor 1,5. |
||||||
| 15. |
Driehoek DFM: sin30 = DF/r2
dus DF = r2
· sin(30) =
1/2
· r2
OM = r1/sin(30) = 2r1 OBM en OEC zijn gelijkvormig |
||||||
|
|||||||
| dus CE = r2 · r1/2r1 = 1/2r2 | |||||||
| 16. |
Driehoek OEC Pythagoras: OC = 4 en CE =
0,5r2 dus OE = Ö(42 - (0,.5r2)2) = Ö(16 - 0,25r22) Driehoek FMD Pythagoras: MD = r2 en DF = 0,5r2 dus MF = Ö(r22 - (0,5r2)2) = Ö(3/4 ·r22) = 0,5r2Ö3 EF = 8 - MF - OE EF = 8 - 0,5r2Ö3 - Ö(16 - 0,25r22) De oppervlakte is dan ( 8 - 0,5r2Ö3 - Ö(16 - 0,25r22)) ·0,5r2 Invoeren in de GR en dan calc - maximum geeft (r2 = 2,766...) en opp = 2,56 |
||||||