| VWO WB, 2026 - I | ||
| Een punt en een lijn. | |||
| Gegeven is het punt
P(7, 24) en de lijn k met vergelijking 3x
- 4y = 0 . De cirkel c heeft middelpunt O en gaat door punt P. Cirkel c snijdt lijn k rechts van de y-as in het punt S. In de volgende figuur is deze situatie weergegeven. |
|||
|
|
|||
| 4p. | 1. | Bereken exact de coördinaten van S. | |
| Het punt A
ligt op lijn k met vergelijking 3x - 4y
= 0. Het punt B is de loodrechte projectie van punt A op de y-as. Punt A kan zo worden gekozen dat de bissectrice (deellijn) van hoek OAB door punt P(7, 24) gaat. In de volgende figuur is deze bissectrice gestippeld weergegeven. |
|||
|
|
|||
| 5p. | 2. | Bereken algebraïsch de coördinaten van A. | |
| Twee snijpunten. | |||
| De functie f wordt voor 0 < x £ 2 gegeven door: | |||
|
|
|||
| Op de grafiek
van f ligt het punt P met xP
= 1/2. De lijn k raakt de grafiek van f in P. De lijn m staat loodrecht op lijn k en raakt de grafiek van f in het punt Q. Zie de figuur. |
|||
|
|
|||
| 6p. | 3. | Bereken exact de x-coördinaat van Q. | |
| De functie g wordt gegeven door: | |||
|
|
|||
| Het is mogelijk de grafiek van g te laten ontstaan uit de grafiek van f door middel van één transformatie. | |||
| 2p. | 4. | Geef deze transformatie. | |
| De grafieken van f en g snijden elkaar in het punt S. | |||
| 4p. | 5. | Bereken exact de x-coördinaat van S. | |
| Perforatie en oppervlakte | |||
| De functie fp wordt gegeven door: | |||
|
|
|||
| Voor één waarde van p heeft de grafiek van fp een perforatie. | |||
| 5p. | 6. | Bereken exact de coördinaten van deze perforatie. | |
| Het functievoorschrift van f0 kan voor x > 1 worden geschreven als: | |||
|
|
|||
| In de figuur is de grafiek hiervan weergegeven. | |||
|
|
|||
| Het punt
(2, 0) is het snijpunt van de grafiek van f0
met de x-as. V is het vlakdeel dat wordt ingesloten door de grafiek van f0 , de x-as en de lijn met vergelijking x = 5. Dit vlakdeel is in de figuur grijs gemaakt. |
|||
| 3p. | 7. | Bereken exact de oppervlakte van V. | |
| Stuiterbal. | |||
| In deze
opgave bekijken we een vereenvoudigd model van de situatie
waarin iemand een stuiterbal recht omlaag laat vallen. Deze
bal zal dan een aantal keer stuiteren. Het moment waarop de
bal de grond raakt noemen we stuit. Na elke stuit komt de
stuiterbal minder hoog dan na de voorgaande stuit. De hoogte van de stuiterbal tussen twee opeenvolgende keren stuiten wordt steeds beschreven door een kwadratische functie van de tijd t. Vanaf het loslaten tot aan de eerste stuit heet de functie h0 , tussen de eerste en de tweede stuit heet de functie h1 , vervolgens h2 enzovoorts. De grafieken van deze functies zijn delen van parabolen. In deze opgave bekijken we een stuiterbal die wordt losgelaten vanaf een hoogte van 1 meter op tijdstip t = 0. De eerste stuit is na 0,45 seconden. Zie de figuur. |
|||
|
|
|||
| Er geldt (bij benadering) h0(t) = -4,9t2 + 1 , met t in seconden en h0 de hoogte in meters. | |||
| 2p. | 8. | Bereken algebraïsch de snelheid in m/s waarmee de stuiterbal voor het eerst de grond raakt. Geef je eindantwoord in één decimaal. | |
| Tussen twee opeenvolgende stuiten bereikt de stuiterbal een hoogste punt. Iedere keer is de hoogte van dat hoogste punt 64% van de hoogte van het voorgaande hoogste punt. | |||
|
|
|||
| In de
figuur hierboven is te zien dat de tijdsduur tussen twee
opeenvolgende stuiten steeds korter wordt. Deze tijdsduur
Tn is in seconden. Zo is T1
= 0,72 de tijdsduur tussen de eerste en de tweede stuit,
T2 de tijdsduur tussen de tweede en derde
stuit enzovoorts. T3 loopt van tijdstip
K tot tijdstip L. Een formule voor Tn is: Tn = 0,9 · 0,8n met n ³ 1 . |
|||
| 7p. | 9. | Stel met bovenstaande gegevens een functievoorschrift op van h3 Geef de getallen in je eindantwoord in twee decimalen. | |
| Gebroken gonio | |||
| De functie f wordt gegeven door: | |||
|
|
|||
| De lijn met vergelijking y = 1 snijdt de grafiek van f in de punten A, B en C met xA < xB < xC. Zie de figuur. Hierin zijn de twee verticale asymptoten gestippeld weergegeven. | |||
|
|
|||
| 3p. | 13. | Toon op algebraïsche wijze aan dat AB = BC . | |
|
De grafiek van f heeft een top T. Deze
ligt onder de x-as. Zie de figuur. Voor de x-coördinaat van T geldt: 5cos2(x) + 8cos(x) + 3 = 0 |
|||
| 6p. | 14. | Bewijs dat dit juist is. | |
| 5p. | 15. | Bereken algebraïsch de y-coördinaat van T. | |
| Begrensde Inhoud. | |||
|
De
functie f wordt gegeven door |
![]() |
||
|
Het grijze gebied wordt gewenteld om de x-as.
Zo ontstaat een omwentelingslichaam. Zie de figuur hiernaast. De inhoud van het omwentelingslichaam is Lp . Hiervoor geldt: |
![]() |
||
|
|
|||
| 6p. | 16. | Bewijs dat bovenstaande formule voor Lp juist is. | |
|
Als p onbegrensd toeneemt, nadert Lp
tot een limietwaarde L. Er is een waarde van p waarvoor Lp gelijk is aan de helft van de limietwaarde L. |
|||
| 4p. | 17. | Bereken deze waarde van p. Rond je eindantwoord af op twee decimalen. | |
| UITWERKING | |
| Het officiële (maar soms beknoptere) correctievoorschrift kun je HIER vinden. Vooral handig voor de onderverdeling van de punten. | |
| 1. | De
straal van de cirkel is Ö(72
+ 242) = 25 Het middelpunt van de cirkel is (0, 0) De vergelijking van de cirkel is dan x2 + y2 = 625 De lijn heeft vergelijking y = 0,75x Invullen in de cirkel: x2 + (0,75x)2 = 635 1,5625x2 = 625 x2 = 400 x = 20 y = 0,75 · 20 = 15 S = (20, 15) |
| 2. | P
heeft gelijke afstanden tot AB en k De afstand van P tot k kan met de afstandsformule: d(P, k) = |3 · 7 - 4 · 24|/Ö(32 + 42) = 75/5 = 15 dus d(P, AB) = 15 en dan is AB de lijn y = 24 + 15 = 39 snijden met k: 3x - 4 · 39 = 0 geeft x = 52 A = (52, 39) |
| 3. | f(x)
= 2ln(x) + 1,5x-1 -
1 f '(x) = 2/x - 1,5/x2 f '(0,5) = -2 Dan heeft m helling 0,5 f '= 0,5 geeft 0,5 = 2/x - 1,5/x2 vermenigvuldig met x2, dat geeft 0,5x2 = 2x - 1,5 x2 - 4x + 3 = 0 (x - 1)(x - 3) = 0 x = 1 Ú x = 3 Alleen x = 1 voldoet (want 0 < x £ 2) |
| 4. | Als je
x vervangt door 2x krijg je de juiste formule voor g Dat is een vermenigvuldiging met factor 1/2 t.o.v. de y-as. |
| 5. | 2ln(x)
+ 3/2x - 1 =
2ln(2x) + 3/4x -
1 3/2x - 3/4x = 2ln(2x) - 2ln(x) 6/4x - 3/4x = 2ln(2) + 2ln(x) - 2ln(x) 3/4x = 2ln2 x = 3/8ln2 |
| 6. | Voor
een perforatie moeten de teller en de noemer beiden nul zijn. Noemer is nul geeft x - 1 = 0 dus x = 1 Teller is nul geeft |x - 2| + p = 0 en met x = 1 geeft dat p = 1 f1(1) = |x - 2| + 1/(x - 1) en voor x < 2 geeft dat f1(x) = (-x + 2 - 1)/(x - 1) = -(x - 1)/(x - 1) voor x ongelijk aan 1 is dat -1 De perforatie is dus (1, -1) |
| 7. | Voor x > 2 is f0(x) = 1 - 1/(x - 1) |
![]() |
|
| = (5
- ln(4)) - (2
- ln(1)) = 3 - ln(4) |
|
| 8. | 0
= -4,9t2 + 1 4,9t2 = 1 t2 = 0,204... t = 0,4517... De snelheid is h' = -9,8t = -9,8 · 0,4517... = -4,4 m/s |
| 9. | Tn =
0,9 · 0,8n
dus T1 = 0,72 T2 = 0,576 T3 = 0,4608 De nulpunten van h3 zijn dus 0,45 + 0,72 + 0,576 = 1,746 en 0,45 + 0,72 + 0,576 + 0,4608 = 2,2068 Een formule van h3 is dan h = a(t - 1,746)(t - 2,2068) De top van h3 heeft x = (1,746 + 2,2068)/2 = 1,9764 en y = 1 · 0,643 = 0,262144 De top invullen geeft 0,262144 = a · (1,9764 - 1,746)(1,9764 - 2,2068) 0,262144 = a · -0,053... a = -4,938... h = -4,94 · (t - 1,75)(t - 2,21) |
| 10. | v
= Ö(vx2
+ vy2) = Ö((4t - 3t2)2 + (4 - 4t)2) invoeren bij Y1 en dan calc-minimum geeft minimale baansnelheid bij t = 1,12 |
| 11. |
yP = 2t(2
- t) |
| 12. | x =
2t2 - t3
x ' = 0 geeft 4t - 3t2 = 0 t(4 - 3t) = 0 t = 0 Ú t = 4/3 t = 0 is de oorsprong, dus de gezochte t is t = 4/3 A is het punt (32/27, 8/9a) y = 2at - at2 y' = 0 geeft 0 = 2a - 2at 2a = 2at t = 1 B is het punt (1, a) AB heeft helling (a - 8/9a)/(1 - 32/27) = -0,6a Dat is -1 als a = 5/3 |
| 13. | f(x)
= 1 1 + 2sin(x) = 1 + cos(x) 2sin(x) = cos(x) sin(x)/cos(x) = 0,5 tan(x) = 0,5 x = 0,46 + kp Die liggen p uit elkaar, dus AB = BC = p OF 2sin(x) = cos(x) sin(x) = 0,5cos(x) Dat is in de eenheidscirkel de lijn y = 2x en die gaat door de oorsprong. Die snijdt de eenheidscirkel in twee punten die p radialen van elkaar liggen |
| 14. |
|
| Dat is
nul als de teller nul,is: 2cos(x)(1 + cos(x) - (1 + 2sin(x))(-sin(x)) = 0 2cos(x) + 2cos2(x) + sin(x) + 2sin2(x) = 0 maar cos2x + sin2x = 1 dus 2cos2x + 2sin2x = 2 dat geeft 2cos(x) + 2 + sinx = 0 2cos(x) + 2 = -sin(x) (2cos(x) + 2)2 = (-sin(x))2 2cos2(x) + 8cos(x) + 4 = sin2x 4cos2(x) + 8cos(x) + 4 = 1 - cos2(x) 5cos2(x) + 8cos(x) + 3 = 0 |
|
| 15. | 5cos2(x)
+ 8cos(x) + 3 = 0 noem cos(x) = p 5p2 + 8p + 3 = 0 p = (-8 ± Ö4)/10 p = -0,6 Ú p = -1 cos(x) = -0,6 (cos(x) = -1 voldoet niet) dan is sin2(x) = 1 - 0,36 = 0,64 dus sin(x) = 0,8 Ú sin(x) = -0,8 invullen geeft y = (1 + 1,6)/(1 - 0,6) = 6,5 Ú y = (1 - 1,6)/(1 - 0,6) = -1,5 De juiste is y = -1,5 |
| 16. |
![]() |
| =
p{-1/2e-2p
+ 2/3e-3p -
1/4e-4p) - (-1/2
+ 2/3 - 1/4)} = p(-1/2e-2p + 2/3e-3p - 1/4e-4p + 1/12) = 1/12p(-6e-2p + 8e-3p - 3e-4p + 1) |
|
| 17. | Als
p oneindig groot wordt, dan worden al die e-machten gelijk aan 0 Dus dan is L = 1/12p Halverwege is dus L = 1/24p Y1 = 1/12p(-6e-2p + 8e-3p - 3e-4p + 1) Y2 = 1/24p intersect geeft p = 0,95 |