8/a + 2b = 10
Þ 2b = 10 - 8/a
Þ b = 5 - 4/a substitueren in de tweede: 4a(5 -4/a) - a = 2
20a - 16 - a = 2
Þ
19a = 18
Þ a =
18/19
Dat geeft b = 5 - 4/(18/19) = 5
- 4
∙ 19/18 = 5
- 76/18
= 7/9 De oplossing is dus
a = 18/19
en b = 7/9
Stelsels niet-lineaire vergelijkingen.
Die los je op door de methode van
SUBSTITUTIE, en dat gaat zó:
·
Maak van één van
beide vergelijkingen p = ......
·
Vul dat in in de andere vergelijkingen.
·
De nieuwe
vergelijking heeft dan één variabele, en die kun je hopelijk oplossen.
voorbeeld.
Los op 2a2
+ 2b = 36 en Ö(b
+ a) = 2a
de eerste vergelijking geeft 2b =
36 - 2a2
dus b = 18 -a2 invullen in de tweede: Ö(18
-a2 + a) = 2a kwadrateren: 18 -a2 + a = 4a2
Þ
5a2-a
-18 = 0 Þ a = 2 of
a = -1,8
dat geeft respectievelijk b = 14 en b = 14,76 controleren levert op dat de tweede oplossing niet voldoet, de oplossing is dus: a = 2 en b = 14.
opmerking
ook lineaire vergelijkingen kun je op deze manier oplossen, maar daar werkt
ook de methode van eliminatie vaak goed.