Zie de bovenste
figuur hiernaast.
Als punt P hoort bij hoek
α, dan hoort punt Q
bij hoek 1,5π
-
α.
De lengte van het rode lijnstukje is gelijk aan cos(1,5π-α)
bij punt Q maar ook gelijk aan sinα bij punt
P.
Alleen is het teken verschillend; bij Q is het negatief, bij P positief.
Daarom is cos(1,5π
-
α)
= -sin
α
2.
Zie de onderste
figuur hiernaast.
Als punt P hoort bij hoek
α,
dan hoort punt Q bij hoek p-α. De lengte van het rode lijnstukje is
gelijk aan
sin(π -α)
bij punt Q maar ook gelijk aan sinα bij punt
P.
Beiden zijn positief.
Daarom is sin(π
-
α)
= sinα
Het
zit hem allemaal in de figuur hiernaast.
Als we (vanaf (1,0)) over hoek x draaien om de oorsprong tegen de
klok in dan komen we uit in punt P.
Dan is cosx gelijk aan de x-coördinaat
van P en sinx
gelijk aan de y-coördinaat van P.
Dat geeft de mogelijkheid om een boel formules voor cos en sin af te
leiden.
Een
voorbeeld (let op de stappen):
Stel dat we op zoek
zijn naar een formule voor cos(π
+ x).
1. teken een willekeurige hoek x en punt P
2. waar ligt dan punt Q bij hoek
π
+ x
3. teken het lijnstuk cos(
π
+ x)
4. aan welk lijnstuk bij hoek x is dit gelijk?
5. denk om het positief of negatief zijn!!!
In de figuur hiernaast zie je dat
cos(π + x)
= -cos(x)
want de blauwe lijnstukken zijn even groot maar tegengesteld gericht.