© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)

       
1. a. H0p = 0,5  (statisticus A)
H1p ≠ 0,5  (statisticus B)
de meting is 54 van de 128 en dat is minder dan de helft
overschrijdingskans  P(X ≤ 54) = binomcdf(128, 0.5, 54) = 0,046
dat is groter dan 0,5α  (= 0,025), dus H0 aannemen:  statisticus A krijgt gelijk.
       
  b. als 0,046 kleiner is dan 0,5α,  dus bij  α > 0,093
       
2. H0p = 1/6  (de fabriakant)
H1p 1/6  (het casino)
de meting is 224 van de 1200 en dat is meer dan verwacht
P(X ≥ 224) =  1 - P(X ≤ 223) = 1 - binomcdf(1200, 1/6, 223) = 0,0358
Dat is kleiner dan  0,5α  (= 0,05) dus H0 verwerpen:  men mag WEL concluderen dat de dobbelstenen niet zuiver zijn.
       
3. a. H0p = 1/10  (evenveel vijven als anderen)
H1p 1/10  (meer of minder vijven)
de meting is 20 van de 300 en dat is minder dan verwacht
overschrijdingskans:  P(X ≤ 20) = binomcdf(300, 1/10, 20) = 0,0287
Dat is groter dan  0,5α  (= 0,025)  dus H0 aannemen:  het aantal vijven is niet apart; ik krijg gelijk.
       
  b. H0p = 1/10  (geen favoriet cijfer)
H1p > 1/10  (8 is favoriet)
meting is 40 van de 200
overschrijdingskans:  P(X ≥ 40) = 1 - P(X ≤ 39) = 1 - binomcdf(300, 1/10, 39) = 0,038
Dat is kleiner dan α  (= 0,05)  dus H0  verwerpen: de numerologe krijgt gelijk
       
4. a. Als er geen invloed op de doofheid is, dan zou de kans op blauwe ogen bij dove katten gelijk moeten zijn aan de kans bij willekeurige katten.

H0p = 0,30
H1p 0,30   (blauwe ogen hebben invloed)
meting is 39 van de 100 en dat is meer dan verwacht bij H0.
P(X ≥ 39) = 1 - P(X ≤ 38) = 1 - binomcdf(100, 0.30, 38) = 0,0340
Dat is groter dan 0,5α  (= 0,025)  dus H0 aannemen: de oogkleur heeft geen invloed
       
  b. Die doet dezelfde toets, alleen met H1p > 0,30 dus éénzijdig
0,034 is kleiner dan α (= 0,05) dus H0 verwerpen:  katten met blauwe ogen zijn vaker doof.
       
5. H0p = 1/37  (het casino)
H1p 1/37 (de gokker)
De gokker zal gelijk krijgen bij heel veel of heel weinig nullen, zodat de overschrijdingskans kleiner dan 0,5α = 0,025 is.

veel nullen:  P(X ≥ G) = 1 - P(X ≤ G -1) < 0,025
Y1 = 1 - binomcdf(2500, 1/37, X-1)  en kijk dan in TABLE wanneer dat kleiner dan 0,025 is.
Dat is vanaf X = 85

weinig nullen:  P(X ≤ G) < 0,025
Y1 = binomcdf(2500, 1/37, X)  en kijk dan in TABLE wanneer dat kleiner dan 0,025 is.
Dat is tot en met X = 51

De gokker krijgt gelijk bij minder dan 52 of meer dan 84 nullen
       
6. H0p = 0,30
H1p < 0,30  (geen zwemwater; dan minder kans op acne)
meting was bij 548 scholieren.
binomcdf(548, 0.30, X) = 0,05
Y1 = binomcdf(548, 0.30, X)  kijk dan bij TABLE wanneer dat kleiner dan 0,05 is
dat is tot en met X = 146
Bij 146 of minder gevallen mag men concluderen dat zwemwater de kans op acne vergroot
       
7. a. normalcdf(0, 30, 36, 4) = 0,0668  
       
  b. H0p = 0,067   (het heeft niets geholpen)
H1p < 0,067  (minder vermalen)
meting is 68 van de 1200
binomcdf(1200, 0.067, 68) = 0,0822
Dat is groter dan α, dus  H0 aannemen:  het heeft niet geholpen, dus dat is NIET aangetoond.
       
8. a. Dat is binomiaal met n = 250 en p = 0,15
P(X ≥ 50) = 1 - P(X ≤ 49) = 1 - binomcdf(250, 0.15, 49) = 0,0196
       
  b. H0p = 0,15   (geen verschil)
H1p > 0,15   (een verbetering:  er slagen meer)
meting is 320 studenten.
P(X ≥ G) = 1 - P(X ≤ G - 1) = 1 - binomcdf(320, 0.15, G - 1)
Voer in Y1 = 1 - binomcdf(320, 0.15, X - 1) en kijk bij TABLE wanneer dat kleiner dan 0,05 is.
Dat is bij X = 60
Dus bij 60 of meer geslaagden mag je concluderen dat het nieuwe systeem een verbetering is.
       

© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)