© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)

       
1. a. sinx + cosx = 0,5
√(12 + 12)sin(x + Φ) = 0,5  en  tanΦ = 1/1 = 1  ⇒  Φ  = 1/4π
√2sin(x + 1/4π) = 0,5
sin(x + 1/4π) = 0,5/√2 = 1/4√2
x + 1/4π = sin-1(1/4√2) = 0,361 + k2π  ∨  x + 1/4π = π - 0,361 = 2,780 + k2π
x
= -0,424 + k2π  x = 1,995 + k2π
in [0, 2π] geeft dat de oplossingen  {2.00, 5.86}     
       
  b. 4sinx + 3cosx = 3
√(42 + 32) sin(x + Φ) = 3  en  tanΦ = 3/4 ⇒  Φ = 0,644
5sin(x + 0,644) = 3
sin(x + 0,644) = 3/5
x + 0,644 = 0,644 + k2π ∨  x + 0,644 = π - 0,644 = 2,498 + k2π
x = 0 + k2π ∨  x = 1,854 + k2π
in [0, 2π] geeft dat de oplossingen {0, 1.854, 2π}
       
  c. 6sinx + 2cosx = -5
√(62 + 22)sin(x + Φ)  = -5  en  tanΦ = 2/6Φ = 0,322
√40sin(x + 0,322) = -5
sin(x + 0,322) = -5/√40 = -0,791
x + 0,322 = sin-1(-0,791) = -0,912 + k2π  ∨  x + 0,322 = π - - 0,912 = 4,053 + k2π
x = -1,234 + k2π   x = 3,731 + k2π
in [0, 2π] geeft dat de oplossingen {3.73, 5.05}
       
  d. 4sinx - cosx = 2
√(42 + 12)sin(x - Φ) = 2  en  tanΦ = 1/4  ⇒  Φ = 0,245
√17sin(x - 0,245) = 2
sin(x - 0,245) = 2/√17 = 0,485
x - 0,245 = sin-1(0,485) = 0,506 + k2π  ∨   x - 0,245 = π - 0,506 = 2,636 + k2π
x = 0,751 + k2π  ∨ x = 2,881 + k2π
in [0, 2π] geeft dat de oplossingen {0.75, 2.88}
       
  e. sinx - 5cosx = -4
√(12 + 52)sin(x - Φ) = -4  en  tanΦ = 5/1  Φ = 1,373
√26sin(x - 1,373) = -4
sin(x - 1,373) = -0,784
x - 1,373 = -0,902 + k2π ∨  x - 1,373 = π - - 0,902 = 4,043 + k2π
x = 0,471 + k2π  x = 5,416 + k2π
in [0, 2π] geeft dat de oplossingen {0.47, 5.42}
       
  f. -2sinx + 5cosx = 3
-(2sinx - 5cosx) = 3
-√(22 + 52)sin(x - Φ) = 3  en   tanΦ = 5/2Φ = 1,190
-√29sin(x - 1,190) = 3
sin(x - 1,190) = -0,557
x - 1,190 = 0,591 + k2π  ∨  x - 1,190 π - 0,592 = 2,550 + k2π
x
= 1,781 + k2πx = 3,740 + k2π
in [0, 2π] geeft dat de oplossingen {1.78, 3.74}  
       
2. a. √3sinx - cosx = 1
√(3 + 1)sin(x - Φ) = 1  en  tanΦ = 1/1  Φ = 1/4π
2sin(x - 1/4π) = 1
sin(x - 1/4π) = 1/2
x - 1/4π = 1/6π + k2π  ∨  x - 1/4π = 5/6π + k2π
x = 5/12π + k2π  ∨  x = 13/12π + k2π
in [0, 2π] geeft dat de oplossingen {5/12π, 13/12π}
       
  b. sinx + √3cosx = -√3
√(1 + 3)sin(x + Φ) = -√3  en  tanΦ = √3/1 = √3  ⇒ Φ = 1/3π
2sin(x + 1/3π) = -√3
sin(x + 1/3π) = -1/23
x + 1/3π = 11/3π + k2π  ∨  x + 1/3π = -1/3π + k2π
x = π + k2π ∨  x = -2/3π + k2π
in [0, 2π] geeft dat de oplossingen {π, 11/3π}
       
3. a. 3sinx + 2cosx = a
√(32 + 22) sin(x + Φ) = a
√13sin(x + Φ) = a
sin(x + Φ) = a/√13
Dat heeft oplossingen als  -1 ≤  a/√13 ≤ 1
Dan is  -√13 ≤ a ≤ √13
 
       
  b. asinx - 5cosx = 8
√(a2 + 52)sin(x - Φ) = 8
√(a2 + 25) sin(x - Φ) = 8
sin(x - Φ) = 8/√(a2 + 25)
Dat heeft oplossingen als  -1 ≤ 8/√(a2 + 25) ≤ 1
-√(a2 + 25) ≤ 8 ≤ √(a2 + 25)
8 ≤ √(a2 + 25)    (want 8 is altijd groter dan -√(a2 + 25))
a2 + 25 ≥ 64
a2 ≥ 39
a ≤ -√39 ∨  a ≥ √39
       
4. a. 3sinx - cosx = 0
√(32 + 1)sin(x - Φ) = 0  en  tan Φ = 1/3Φ = tan-1(1/3) = 0,322
√10sin(x - 0,322) = 0
sin(x - 0,322) = 0
x - 0,322 = 0 + kπ
x = 0,322 + kπ
In [0, 2π] geeft dat de nulpunten  0,32 en 3,46
       
  b. f ' = 1
3cosx + sinx = 1
√(12 + 32)sin(x + Φ) = 1  en  tan Φ = 3/1 = 3 ⇒ Φ = 1,249
√10sin(x + 1,249) = 1
sin(x + 1,249) = 1/√10 = 0,316
x + 1,249 = 0,322 + k2π x + 1,249 = π - 0,322 = 2,820 + k2π
x
= -0,927 + k2π  ∨   x = 1,571 + k2π
In [0, 2π] geeft dat      x = 1,57  en x = 5,36 
       
5. a. psinx + cosx    = √(p2 + 1)sin(x + Φ)  en  tanΦ = 1/p
Als de formules gelijk zijn, dan moet gelden  Φ = 1/3p ⇒  tanΦ = √3
Dus 1/p = √3  ⇒  p = 1/√3
Dan is  a = √(p2 + 1) = √(4/3)
(Voor de liefhebbers:  dat is 2/3√3)
       
  b.  y = asin3x
y
'= 3acos(3x)  dus bij x 1/6π is de helling  3acos(3/6π) = 0

Dan moet psinx + cos daar ook helling nul hebben.
pcosx - sinx = 0 voor x = 1/6π
p • cos(1/6π) - sin(1/6π) = 0
p1/2√3 - 1/2 = 0
p1/2√3 =
p = 1/√3 = 1/3√3
Het raakpunt heeft dan y = 1/3√3sin1/6π + cos 1/6π = 1/3√3 • 1/2 + 1/2√3 = 2/3√3
Het punt (1/6π, 2/3√3) moet op  y = asin3 liggen
Dat geeft  1/2√3 = a • sin(3/6π)
1/2√3 = a
       
6. 2 • sinx/cosx + 5 - 3/cosx =  0
2sinx + 5cosx - 3 = 0   (en cosx ¹ 0)
2sinx + 5cosx = 3
√(22 + 52) sin(x + Φ) = 3  en  tanΦ = 5/2  ⇒  Φ = 1,19
√29sin(x + 1,19) = 3
sin(x + 1,19) = 3/√29 = 0,557
x + 1,19 = 0,59 + k2π  ∨  x + 1,19 = π - 0,59 + k2π
x = -
0,60 + k2π   x = 1,36 + k2π
In [0, 2π] geeft dat de oplossingen {1.36,  5.68}
       
7. 3sinx + 2cosx + 4
= √(32 + 22)sin(x + Φ) + 4
= √(13)sin(x + Φ) + 4
omdat sin(x + Φ) altijd tussen  -1 en 1 zit, zit √13sin(x + Φ) tussen -√13 en +√13
tel er 4 bij op en je krijgt een getal tussen  4 - √13 en 4 + √13
Dat is ongeveer tussen 0,39 en 7,61 dus altijd groter dan nul.
       
8. 6sinx + 8cosx = p
√(62 + 82)sin(x + Φ) = p
10sin(x + Φ) = p
sin(x + Φ) = p/10
Dat heeft oplossingen als  -1 ≤  p/10 ≤  1
Dus als -10 ≤ p ≤  10
Er zijn dus geen oplossingen als p > 10 of p < -10
       
9. a. f(x) =  acosx + bsinx
f
'(x) = -asinx + bcosx
-asinx + bcosx  = f(x) + 7cosx  + sinx
-a
sinx + bcosx = acosx + bsinx + 7cosx + sinx
sinx • (-a - b + 1) + cosx • (b - a - 7) = 0
Omdat dat voor elke x moet gelden, kan dat alleen als  -a - b + 1 = 0   en 
 b - a - 7 = 0
de eerste geeft a = 1 - b en dat kun je invullen in de tweede:  b - (1 - b) - 7 = 0
b - 1 + b - 7 = 0
2b = 8
b = 4  en dan is  a = 1 - b = -3
       
  b. f ' (x) = f(x) + 7cosx  + sinx
de afgeleide van ex is weer ex

de functies moeten gelijk zijn en ook hun afgeleides, dus moet gelden;
f(x) = ex  en ook  f(x) + 7cosx + sinx = ex
Dus is  f(x) = f(x) + 7cosx + sinx
7cosx + sinx = 0
(72 + 12)sin(x + Φ ) = 0  met  tan Φ = 7/1  Φ  = 1,43
sin(x + 1,43) = 0
x + 1,43 = 0 + k
x + 1,43 = π + k
x = -1,43 + k
  x = 1,71 + k
tussen 0 en π geeft dat de oplossing x = 1,71
dan is  y = e1,71  = 5,54
Het raakpunt is ongeveer  (1.71, 5.54)
       
  c.  f ' (x) = f(x) + 7cosx  + sinx
f ''
(x) = f '(x) - 7sinx + cosx
f ''
(x) = f (x) + 7cosx + sinx - 7sinx + cosx
f '' (x) = f (x) - 6sinx + 8cosx = 0
f(x) = 6sinx + 8cosx
y =
10 geeft dan   6sinx + 8cosx = 10
(62 + 82)sin(x + Φ) = 10  met   tanΦ = 8/6   Φ = 0,927
10sin(x + 0,927) = 10
sin(x + 0,927) = 1
x + 0,927 = 1/2π
x = 1/2π - 0,927 = 0,64
f ' (x) = 10 + 7cos0,64  + sin0,64 = 16,2
       
10. Als de periode 0,01 is, dan staat in de formule 2π/0,01 = 200π.

f
(x) = a • sinb(x - c) = 5sin200πx    (kies c = 0)

g
(x) = d • sinb(x - e) = 3sin200π(x - 1/6)
= 3(sin200πx • cos200π 1/6 - cos200πx• sin200π 1/6)
= 3(sin200πx • -0,5 - cos200πx • -0,866)
= -1,5 • sin200πx + 2,598 • cos200πx

f
+ g 5sin200πx - 1,5 • sin200πx + 2,598 • cos200πx
= 3,5sin200πx + 2,598cos200πx
= √(3,52 + 2,5982)sin(x - Φ)  met  tan Φ = 2,598/3,5  ⇒  Φ = 0,64
= 4,36 • sin(x - 0,64)

De amplitude is dus 4,36 en de fase 0,64

       

© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)