© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)

       
1. a. f(x) = cos(3x)
f
'(x) = -sin(3x)  • 3  = -3sin(3x)  die 3 komt van de kettingregel.
       
  b. y = 2sinx + cos(x2)
y '= 2cosx - sin(x2) • 2x  = 2cosx - 2xsin(x2)    die 2x komt van de kettingregel.
       
  c. f(x) =  sin(x + 3) - 2cos(5 - x)
f '(x) = cos(x + 3) - 2 • -sin(5 - x) • -1  = cos(x + 3) - 2sin(5 - x)
       
  d. f(x) =  √(cosx) = (cosx)0,5
f '(x) = 0,5 • (cosx)-0,5 • -sinx = -sinx/2√(cosx)
       
  e.  y = 5 - 2cos(2πx - 3)
y ' = - 2 • -sin(2πx - 3) • 2π  =  5 + 4πsin(2πx - 3)
       
  f. f(x) = sin2(x)  = (sinx)2
f '(x) = 2 • sinx • cosx   die cos x komt van de kettingregel.
       
  g.  y = 2 - sin(x2 + 3)
y '=  -cos(x2 + 3) • 2x = -2xcos(x2 + 3)   die 2x komt van de kettingregel.
       
  h. y = 4cosx • sinx
y' =
4 • -sinx • sinx + 4cosx • cosx  =  -4sin2x + 4cos2x    met de productregel.
       
2. Met de quotiλntregel:
 
       
  Als je gebruikt dat cos2x + sin2x = 1 dan geeft dat de afgeleide  1/cos2x

Als de de breuk uitdeelt geeft dat de afgeleide  1 + sin2x/cos2x = 1 + tan2x
       
3. a. √(6sinx) = -2cosx
6sinx = 4cos2x
6sinx = 4(1 - sin2x)
6sinx = 4 - 4sin2x
4sin2x + 6sinx - 4 = 0   noem nu sinx = p
4p2 + 6p - 4 = 0
ABC-formule:   p = (-6 ±√(36 + 64))/8 = (-6 ± 10)/8 = 1/2  of -2
sinx = -2 kan niet, dus blijft over sinx = 1/2
x = 1/6π + k2π  x = 5/6π + k2π
controleren (want we hebben gekwadrateerd):  alleen x = 5/6π  is een goede oplossing.
       
  b. Als de grafieken elkaar loodrecht snijden dan moet gelden  f ' • g' = -1

f
'(x) = 0,5 • (6sinx)-0,5 • 6cosx
f
'(5/6π) =  0,5 • 3-0,5 • 6 • -1/2√3 = -11/2

g '(x) = -2 • -sinx = 2sinx
g
'(5/6π) = 2 • 1/2 = 1

fg '  is niet gelijk aan -1, dus de grafieken snijden elkaar niet loodrecht.
       
4.
  dat is nul als de teller nul is:
6cosx - 3cos2x - 3sin2x = 0
6cosx - 3(cos2x + sin2x) = 0
6cosx - 3 = 0
6cosx = 3
cosx = 1/2
x = 1/3π ∨  x = 12/3π
x = 1/3π geeft  y = 3 • 1/23 / (2 - 1/2) = 33 en de top  (1/3π, 33) 
x = 1
2/3π  geeft  y = 3• -1/23 / (2 - 1/2) = -33 en de top  (12/3π, -33)
       
5.
 
       
6. a. De functie bestaat niet als 1 + sinx = 0  dus bij x = 11/2π.
   
    Dat is nul als de teller nul is:
sinxcosx(2 + sinx) = 0
sinx = 0 ∨  cosx = 0  ∨  2 + sinx = 0  maar dat laatste kan niet.
x = 0 ∨ x = π ∨  x = 2π  ∨  x = 1/2π  ∨ x = 11/2π  en die laatste valt af, omdat de functie daar niet bestaat.
Dat geeft de punten (0, 0) en (π, 0) en (2π, 0) en (1
1/2π, 1/2)
       
  b. sin²x/(1 + sinx) = 1/6
sin2x = 1/6 • (1 + sinx)
6sin2x = 1 + sinx
6sin2x - sinx - 1 = 0   noem nu sinx = p
6p2 - p - 1 = 0
ABC-formule:  p = (1 ±√(1 + 24))/12 = (1 ± 5)/12 = 1/2  of  -1/3
sinx = 1/2  sinx = -1/3
x = 1/6π      x = 5/6π   x = sin-1(-1/3) = -0,34     x = π - - 0,34 = 3,48   
       
  c. Als ze elkaar raken moet gelden  f = g  en f ' = g'

Eerst maar de afgeleides gelijkstellen:

sinxcosx(2 + sinx)
/(1 + sinx)2 = -3cosx  Ga nu delen door cosx en vermenigvuldigen met de noemer:
sinx(2 + sinx) = -3(1 + sinx)2  ∨   cosx = 0
2sinx + sin2x = -3(1 + 2sinx + sin2x)  ∨   cosx = 0
2sinx + sin2x = -3 - 6sinx - 3sin2x  ∨   cosx = 0
4sin2x + 8sinx + 3 = 0  ∨   cosx = 0
ABC-formule:  sinx = (-8 ±√(64 - 48))/8 = (-8 + 4)/8 = -11/2  of  -1/2,   ∨   cosx = 0
x = 11/6π  ∨  x = 15/6π   ∨  x = 1/2π   ∨  x = 11/2π

Verder moet ook nog gelden = g

x
= 11/6π:   (1/4)/(1 - 1/2) = p - 3 • -1/2 ⇒   1/2 = p + 11/2  ⇒   p = -1
x = 15/6π:  zelfde resultaat
x = 1/2π:  1/(1 + 1) = p - 3 • 1   1/2 = p - 3     p = 31/2  
x = 11/2π geeft geen oplossing want dan bestaat f niet.
       
7. Bekijk alleen het gebied x in [0, 2π] want dat is de periode van de functie.

Nulpunten:  2cosx - a = 0  ⇒  2cosx = a ⇒  cosx = 1/2a
(Verder mag sinx niet nul zijn, dus x mag niet 0, π, 2π zijn)
Dat heeft oplossingen als  -2 < a < 2

Extremen:  f ' = 0
 
  -2sin2x - 2cos2x + acosx = 0
-2(sin2x + cos2x) + acosx = 0
-2 + acosx = 0
acosx = 2
cosx = 2/a
Dat heeft oplossingen als  a > 2 of  a < -2

Er zijn inderdaad geen waarden van a waarvoor beide voorwaarden kloppen.
       
8. a. Zie de figuur hiernaast.
Er zijn 4 snijpunten als p tussen de lijnen p1 en p2 in ligt.
Het is dus zaak de plaats van de maxima en minima van f te vinden.

f '(x) =  -2sin(2x) - cosx = 0
-2 • 2sinxcosx - cosx = 0
cosx(-4sinx - 1) = 0
cosx = 0    sinx = -1/4
x = 1/2π  x = 11/2π
 x = sin-1(-1/4) = -0,25   x = π - - 0,25 = 3,39

Dat geeft minima  (1/2π, -1) en (11/2π, 1)
Dat geeft maxima  (3.39, 2.125) en (6.03, 2.125) 
       
    Er zijn 4 snijpunten voor 1 < p < 2,125

NB:
De 2,125 is exact en niet afgerond.
Als sinx = -1/4 dan is cos2x = 1 - 2sin2x = 1 - 2 • 1/16 = 7/8
Dan is f(x) =  7/8 - - 1/4 + 1 = 21/8.
       
  b. f '(p) =  -2sin(2 • π) - cosπ  = 1  dus de raaklijn is  y = x + b
Die moet door (π, 2) gaan, dus  2 = π + ⇒   b = 2 - π
De raaklijn is dan  y = x + 2 - π
       
9. a. f(x) =  2·cos x + sin2x + 1
f '(x) = -2sinx + 2cos(2x) = 0
-2sinx + 2(1 - 2sin2x) = 0
-2sinx + 2 - 4sin2x = 0
-2sin2x - sinx + 1 = 0
ABC-formule:   sinx = (1 ±√(1 + 8))/-4(1 ± 3)/-4 = -1  of  1/2
sinx = -1  sinx = 1/2
x = 11/2π x = 1/6π  x = 5/6π 
x = 1/6π geeft  y =  2 • 1/2√3 + 1/2√3 + 1 = 1 + 11/2√3  en dat is het maximum
x = 5/6π  geeft  y =  2 • -1/2√3 - 1/2√3 + 1 = 1 - 11/2√3 en dat is het minimum
       
  b. x = 11/2π  geeft  y = 2 • 0 + 0 + 1 = 0  dus dat is het punt  ( 11/2π, 1)
       
10. a. De afstand AB is de periode van de formule.
Dat is 2π/(2π/p)
Dus moet gelden p 8,00
       
  b. De helling is de afgeleide, en die mag dus maximaal 1/15 zijn.
   
    Dat is een sinusoοde met amplitude  -0,80π/p dus moet gelden   0,80π/p < 1/15
15 • 0,80πp  (kruislings vermenigvuldigen)
p
≥ 12π
       

© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)