© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)

1. a. Het aantal minuten is continu dus je kiest voor een histogram.
       
   
       
  b. Dagen zijn geen getallen dus je kiest voor een staafdiagram.
       
   
       
  c. Gewichten zijn continu dus je kiest voor een histogram.
       
   
       
2. a. januari:  22 + 35 + 65 = 122
februari:  28 + 25 + 47 = 100
maart:  56 + 40 + 27 = 123
De meeste gevallen waren er dus in maart
       
  b. jongeren:  22 + 28 + 56 = 106
volwassenen:  35 + 25 + 40 = 100
ouderen:  65 + 47 + 27 = 139
De meeste gevallen waren er dus bij de ouderen.
       
  c. in februari want daar is het middelste staafje korter dan in januari.
       
  d. De aantallen zijn dan 30-30-60, dus dat geeft dit histogram:
       
   
       
  e. Aan de zijkant staat de leeftijdcategorie (jong, volwassen, oud)
Aan de voorkant staat de maand (januari, februari, maart)
       
   

       
3. De aantallen variŽren van 35 tot 443 dus je zou klassen van breedte 50 kunnen  maken (9 klassen)
Turven geeft dan de volgende frequentieverdeling:
       
 
aantal werknemers [0, 50〉 [50, 100〉 [100, 150〉 [150, 200〉 [200, 250〉 [250, 300〉 [300, 350〉 [350, 400〉 [400, 450〉
frequentie 5 9 8 11 7 6 8 0 6
       
  Dat geeft het volgende histogram:
       
 

       
  het gemiddelde is  (25 ∑ 5 + 75 ∑ 9 + ... + 425 ∑ 6)/(5 + 9 + ... + 6) = 12100/60 = 202 
       
4. a. Het gemiddelde wordt het grootst als het aantal dagen 9-19-29-39 is
dan is het gemiddelde  (9 ∑ 8 + 19 ∑ 12 + 29 ∑ 62 + 39 ∑ 43)/ (8 + 12 + 62 + 43) =   3775/125 = 30,2
       
  b. de klasse 20-29 bevat 10 getallen.
het totaal komen die 10 getallen 62 keer voor
Dan moet er minstens eentje van die 10 groter dan 6 zijn.
       

© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)