h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)

Ja, dat kan ik me goed voorstellen.

(Als leraar moet je altijd tegen je leerlingen zeggen dat je je hun probleem goed kunt voorstellen.....schijnt didactisch verantwoord te zijn...)
       
Zorg eerst dat je een driehoek met een rechte hoek hebt.

OK, als je een driehoek met een rechte hoek hebt gevonden moet je altijd eerst het volgende doen.

Stap 1.
       

Zet de letter c bij de zijde tegenover de rechte hoek.

       
Dat is dus de enige zijde van de driehoek die NIET aan de rechte hoek vastzit.
Het is trouwens ook de langste zijde van de driehoek maar dat is niet altijd goed te zien.

OK. Staat er een c?
Dan noem je die twee andere zijden a en b. Welke precies a wordt en welke b dat doet er niet toe. Doe maar wat!!! Alles is goed.

Stap 2.
Als het goed is kun je nu twee van de drie open vakjes van het tabelletje hieronder invullen.
       

       
Stap 3
Neem nu elk getal dat je hebt ingevuld in het kwadraat (dat betekent dat je het met zichzelf moet vermenigvuldigen)
Zet de twee kwadraten die je hebt uitgerekend  in de onderste nieuwe rij.
       

       
Stap 4
Maak nu de optelsom in het onderste vak kloppend door het vakje dat nog open is in te vullen.

Stap 5
In dat derde vakje heb je als het goed is nu een getal ingevuld, maar dat is nog niet jouw vraagteken!
Het is het kwadraat van jouw vraagteken.
Dus om dat vraagteken te vinden moet je nog de wortel van dat getal nemen.
       
Voorbeeld.
Bereken het vraagteken in de figuur hiernaast.

stap 1:  tegenover de rechte hoek zit de zijde van 8, dus c = 8
a en b kun je dan kiezen. Kies bijvoorbeeld  a = 6 en b = ?

stap 2.      
     
stap 3.      
       
stap 4.
als je in het blauwe vakje 28 invult klopt de optelsom, want  36 + 28 = 64

stap 5.
Die ingevulde 28 is nog niet de gezochte zijde: je moet er nog de wortel van nemen.  Dus ? = √28
       
Oefenen maar:  Bereken de vraagtekens in de volgende driehoeken:
       

       
       

h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)