© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)

Meer opgaven  
       
Geef een vectorvoorstelling van de volgende vlakken:  
       
  a. Door  (2, -3, 4)  en  (8, -1, 3)  en  (4, 4, -6)
       
  b. Door  (-5, 1, 1)  en  (-2, 5, -4)  en  (1, 0, -6)
       
Bereken voor de volgende gevallen het snijpunt van de lijn met het vlak:
       
  a.
       
  b.
       
  c.
       
Twee vlakken zijn evenwijdig als de richtingsvectoren van het ene vlak ook richtingsvectoren van het andere vlak zouden kunnen zijn, dat lijkt me logisch.

Leg duidelijk uit of de volgende vlakken evenwijdig zijn of niet.
       
  a.
       
  b.
       
ABC.DEF is een prisma met AD = 6, en 
AB = BC = AC = 4.
P is het midden van  CF en Q is het midden van CB.

Het snijpunt van  APE  en DQ is punt S.

Bereken de lengte CS.
Geef je antwoord in één decimaal nauwkeurig.

       
MEER OPGAVEN
       
5. Toon aan door vectormeetkunde te gebruiken dat in een kubus ABCD.EFGH het vlak BDG precies 1/3 deel van lichaamsdiagonaal EC afsnijdt.
       
     

© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl)