|
||||||||||||
| Gemiddelde toenames | ||||||||||||
| Hiernaast staat de grafiek van
het temperatuurverloop op 6 februari 1995 in Groningen. Je ziet dat
vanaf middernacht de temperatuur eerst nog wat afneemt, maar vanaf
ongeveer 3 uur gaat toenemen tot maximaal ongeveer 12,5 ºC om 15 uur.
We zijn nu geïnteresseerd in de volgende vraag: Wat is de gemiddelde toename per uur tussen 3
uur en 9 uur? |
|
|||||||||||
| De toename is dus 8 - 3,5 =
4,5ºC geweest maar dat was over een periode van 9 - 3 = 6 uur. De gemiddelde toename was dus 4,5/6 = 0,75 ºC/uur. Zo. Dat was te doen. Voor de gemiddelde toename deel je gewoon de totale toename door het aantal uur. Tijd voor de volgende vraag: "Wat stelt het voor in de grafiek?" De totale toename was 4,5ºC en die vonden we door 8 - 3,5 te berekenen. Dat is dus het verschil van beide y-waarden, ofwel Δy: het blauwe lijnstukje in de grafiek hiernaast. |
|
|||||||||||
| Het aantal uur was 6 en dat
vonden we door 9 - 3 te berekenen. Dat is dus het verschil van beide x-waarden,
ofwel
Δx: het groene lijnstukje
in de grafiek. De gemiddelde toename hebben we berekend als
Δy/Δx
en die kennen we nog van vroeger: het is de helling van de lijn tussen
beide punten. Conclusie: de helling van de rode lijn is 0,75
Deze gemiddelde toename heet ook
wel het differentiequotiënt. Dit is allemaal hetzelfde: |
|
|||||||||||
|
||||||||||||
| Speciaal geval: Als y de afstand voorstelt en x de tijd. | ||||||||||||
| n de grafiek
hiernaast staat op de x-as de tijd dat iemand aan het fietsen is, en op de y-as
de afstand die hij heeft afgelegd. We berekenen het differentiequotiënt tussen x = 20 en x = 60 Bij x = 20 hoort ongeveer y = 2 en bij x = 60 hoort ongeveer y = 15 Dat geeft voor het differentiequotiënt (15 - 2)/(60 - 20) = 13/40 = 0,325 Die 0,325 is dus de totale afgelegde afstand (13 km) gedeeld door de
totale tijd (40 minuten). In dit geval 0,325 km per minuut. Maar
dat is de snelheid (immers snelheid is afstand gedeeld door tijd)
|
![]() |
|||||||||||
|
|
||||||||||||
| OPGAVEN. | ||||||||||||
| 1. | a. | Gegeven is de formule
N = 4t + 2√t
. Bereken het differentiequotiënt op interval [3, 8] in twee decimalen nauwkeurig. |
||||||||||
| b. | Gegeven is de formule
P(t)
= 5t - 2/t Bereken het differentiequotiënt op interval [-5, -2] in twee decimalen nauwkeurig. |
|||||||||||
| 2. | Hiernaast staat de grafiek van een formule f. |
![]() |
||||||||||
| a. | Bereken de gemiddelde toename tussen x = 3 en x = 8 |
|||||||||||
| b. | Noem drie intervallen waarop het differentiequotiënt gelijk is aan nul. | |||||||||||
| 3. | Annelies en haar broer Gerben
gaan met de fiets naar school. De afgelegde weg s als functie van de tijd t staat in de grafiek hieronder. |
|||||||||||
|
|
||||||||||||
| a. | Bereken voor Annelies de gemiddelde snelheid op de intervallen [0,4] en [4,6]. Verklaar je antwoorden. | |||||||||||
| b. | Wie rijdt de eerste twee minuten gemiddeld het snelst? | |||||||||||
| c. | Wie rijdt tussen t = 3,5 en t = 4 het snelst? Hoe zie je dat aan de grafiek? | |||||||||||
| d. | Wanneer passeert Gerben Annelies? Hoe zie je aan de grafiek dat hij op dat moment sneller rijdt? | |||||||||||
| 4. | Hiernaast zie je de grafiek van twee joggers (mevrouw A en mevrouw B) die hetzelfde parcours lopen. Zoals je ziet vertrekt mevrouw B later dan mevrouw A. |
|
||||||||||
| a. | Bereken de gemiddelde snelheid van mevrouw B gedurende het eerste half uur dat zij loopt. | |||||||||||
| b. | Bereken de gemiddelde snelheid van mevrouw A gedurende het tweede half uur dat zij loopt. | |||||||||||
| c. | De beide dames hebben een
loophorloge om met GPS functie. Dat horloge geeft o.a. hun
gemiddelde snelheid vanaf het begin aan. Op welk moment tijdens haar loop geeft het horloge van mevrouw A de grootste gemiddelde snelheid aan? |
|||||||||||
|
© h.hofstede (h.hofstede@hogeland.nl) |
||||||||||||